Is de kloof tussen het lab en de kliniek te groot?

Delen:

Een kort voorsmaakje van deze podcast:

Hoe komen nieuwe behandelingen tot stand?

‘Dat is uiteraard heel afhankelijk van de aandoening die je onderzoekt of de behandeling die je wil ontwikkelen, maar vaak vergaren fundamenteel onderzoekers nieuwe inzichten, die dan via klinisch onderzoek in een toepassing worden vertaald. Fundamenteel onderzoek is gedreven door nieuwsgierigheid. Onderzoekers willen achterhalen hoe zaken in elkaar zitten - hoe werken cellen, micro-organismen of moleculen bijvoorbeeld? - zonder dat er toepassing aan gekoppeld hoeft te zijn. Bij toepassingsgericht onderzoek heb je wel altijd een probleem voor ogen. Elke keer je in het lab komt, denk je: ik ben hier om een probleem op te lossen. Tussen beide zit het translationeel onderzoek, dat uitzoekt wat een fundamenteel inzicht concreet kan opleveren in het ziekenhuis.’

Vloeit het onderzoek vanzelf in een toepassing uit?

‘Dat is het ideale scenario, maar het gebeurt niet altijd. Als fundamentele en klinische onderzoekers op dezelfde campus werken, dan is er vaak wel een vlotte connectie tussen beide. Maak vaak werken fundamentele en klinische onderzoekers los van elkaar. Ze gaan niet naar dezelfde congressen, en vaktijdschriften focussen zich meestal op fundamenteel of toegepast onderzoek.’

Gaat er zo kennis verloren?

‘Ik denk het wel. Vragen vanuit de kliniek komen niet altijd tot bij fundamentele onderzoekers. Omgekeerd creëren fundamentele onderzoekers nieuwe inzichten waar artsen geen weet van hebben. Er zouden meer mogelijkheden gecreëerd moeten worden om elkaar te ontmoeten.’

‘Er is absoluut nood aan fundamenteel onderzoek, maar ook dat zou op langere termijn op zijn minst een bijdrage aan toepassingen in het ziekenhuis moeten leveren. Er is vandaag heel veel fundamentele kennis, maar dat blijft soms hangen. Onderzoeksbudget is niet eindeloos, en we zijn het aan patiënten verplicht om met het beschikbare budget zo efficiënt mogelijk op zoek te gaan naar antwoorden op hun vragen.’

Delen:

Uit nieuw onderzoek blijkt dat mensen die na een COVID-vaccinatie hogere koorts krijgen, vaak vergelijkbare darmkenmerken vertonen.

Antibioticaresistentie is een van de grootste uitdagingen voor de geneeskunde. Door systematisch DNA-fragmenten uit antibioticaresistente bacteriën uit te schakelen, kunnen we achterhalen welke genen essentieel zijn voor hun overleving. Sommige van die genen maken bacteriën misschien opnieuw gevoelig voor antibiotica wanneer ze worden uitgeschakeld. Die kennis helpt onderzoekers om sneller doelgerichte therapie te ontwikkelen en zo de groeiende crisis voor te blijven.

Wereldwijd doemen steeds meer bacteriën op die zich niet langer door antibiotica laten tegenhouden. Om deze gevaarlijke infecties te bestrijden, richten onderzoekers hun pijlen nu op speciale virussen die de ziektekiemen alsnog uitschakelen, zogeheten bacteriofagen. Ondanks dat artsen ze al decennia als therapie kunnen gebruiken, heeft hun toepassing een apart randje: ze moet zichzelf nog steeds bewijzen.

Vrouwen leven langer dan mannen, maar vaak minder lang in goede gezondheid. Rond de menopauze lijkt er iets te kantelen: niet alleen in de hormonen, maar in het hele lichaam. Steeds duidelijker wordt dat de eierstokken hierin een grote rol spelen. Maar hoe precies? In Berlijn onderzoeken wetenschappers een diertje dat hier meer inzicht in geeft: de naakte molrat.

Wie een leven lang gezonde keuzes maakt krijgt toch soms kanker. En wie er alle mogelijke kantjes vanaf loopt soms niet. In zijn boek Waarom we kanker krijgen en wat we eraan kunnen doen legt Philippe Westerlinck, radiotherapeut-oncoloog en wetenschappelijk onderzoeker aan het Universitair Ziekenhuis in Luik, in detail uit hoe dat komt en waarom het vaak de moeite loont om te proberen je risico te beperken.

Voor vrouwen die door vulvakanker een deel van hun clitoris kwijtraken, is nu eindelijk een reconstructie mogelijk waarbij ook de seksuele functie behouden blijft.

De Nobelprijs voor Fysiologie of Geneeskunde 2026 wordt gezamenlijk toegekend aan Karl Deisseroth (Verenigde Staten), Peter Hegemann (Duitsland) en Georg Nagel (Duitsland) voor de ontwikkeling van optogenetica, een methode waarmee kan worden aangetoond hoe zenuwcellen herinneringen, gevoelens en gedragingen in het levende brein vormgeven.

Hoe verschillend is elk lichaam? Open een anatomieboek en je ziet een menselijk lichaam met botten die op een vaste plaats zitten, organen met een vaste vorm en bloedvaten die netjes een uitgetekende route volgen. Maar bestaat er iets als een standaardlichaam? Het antwoord is eenvoudig: nee.

Begrijpen hoe de hersenen herinneringen, gevoelens en gedrag vormen, is al jaren een droom van onderzoekers. Karl Deisseroth, Peter Hegemann en Georg Nagel ontvangen de Nobelprijs voor Geneeskunde 2026 voor hun ontdekkingen die leidden tot optogenetica. Met deze techniek kunnen onderzoekers zenuwcellen in levende hersenen gericht aan- en uitzetten.

En blijf op de hoogte van de laatste inzichten in wetenschap en technologie.

Nieuwsbrieven